SUUNTO RGBM

De reden van Suunto RGBM

 

Het Suunto Reduced Gradient Bubble Model (SRGBM) is in staat om een duiker advies te geven daar waar extra risico ontstaat door eventuele toestandsveranderingen van de vrije gasbellen. Wij zijn er van overtuigd, dat deze extra informatie zal bijdragen aan een veiliger duikgedrag en zodoende een verdere reductie van decompressie ziekte (DCS) zal geven.

 

In de afgelopen jaren zijn er een groot aantal modificaties en veranderingen doorgevoerd in duikprotocollen en duiktabelprocedures. Zoals: kortere niet-decompressie limieten, langzamer opstijgen, veiligheidsstops, ondiepere duikprofielen voor herhalingsduiken, multilevel technieken, lagere waardes voor kritische stikstofspanning (M-waardes) en langere tijdsintervallen voor het vliegen na duiken. Deze modificaties zijn tot stand gekomen door: observaties, Doppler technieken, theorieën, statistische gegevens, algemene opvattingen omtrent veilig duiken en nieuwe ontwikkelingen van duikcomputers. Om rekening te houden met al deze veranderingen heeft een decompressiemodel niet meer voldoende aan de klassieke Haldanemodellen, die alleen rekening houden met het opgeloste gas (stikstof in oplossing) en niet met het vrije gas (bellen).

 

Wij zijn er van overtuigd dat onze inzichten (door observatie en experimenten) in het ontstaan, de groei en eliminatie van gasbellen na vergelijking met andere recente studies over belvorming en gaskernen, binnen het kader van het duiken een belangrijke stap voorwaarts is. In het bijzonder willen wij hier verwijzen naar het werk van de Tiny Bubble Group van de Universiteit van Hawaii waar Yount & Hoffman's "Varying Permeability Model" (VPM) werd ontwikkeld en het latere werk van Dr Bruce R. Wienke BS, MS, PhD., die de "Reduced Gradient Bubble Model" (RGBM) ontwikkelde.

 

In een samenwerkingsverband tussen Suunto en Bruce Wienke is het RGBM bubblemodel geïntegreerd in het gemodificeerde Haldanemodel van Suunto met als uitkomst het

Suunto Reduced Gradient Bubble Model (SRGBM) Om tot een model te komen voor de dynamische gasoverdracht maakt SRGBM gebruik van zowel het opgeloste als het vrije gas, hun onderlinge wisselwerking en hun weerslag op het duikgedrag. Deze zaken worden binnen de SRGBM op een natuurlijke wijze en volgens de bestaande natuurkundige gaswetten verwerkt.  

 

De Nitrox en zuurstofblootstellings-berekeningen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van R.W. Hamilton, PhD en de op dit moment geaccepteerde blootstelling limietentabel en procedures (NOAA tabellen)

 

In tegenstelling tot de traditionele gasdiffusiemodellen zal Suunto RGBM rekening houden met de volgende duikfactoren, die invloed hebben op de vrije gassituatie en het risico op DCS:

 

  • Korte tijdsintervallen bij herhalingsduiken.
  • Meerdere dagen continue duiken (multi-day)
  • Dieper duiken dan de voorgaande duik.
  • Te snel opstijgen

 

Wanneer er wordt gedoken volgens het conventionele beste divingpractice zal het SRGBM-algoritme geen grote veranderingen geven op  voorgaande decompressie-adviezen. Het zal niet meer doen dan een kleine aanpassing voor de effecten van het multi-dagduiken. Echter: het SRGBM kan belangrijke aanpassingen geven wanneer het voorspelt dat de stikstofuitwisseling ernstig kan worden bedreigd door het vrije gas of dat de stijgsnelheid de grootte van de micro-bellen ernstig heeft beïnvloed.

 

Voor duikers bestaan er ook een aantal persoonlijke factoren, die per duiker en voor dezelfde duiker per dag kunnen verschillen. Wanneer een wat veiliger duikplan is gewenst, is het aan te bevelen om de  Personal Adjustment Mode van de duikcomputer te gebruiken.

 

Duiken is een risicovolle sport, maar in vergelijking met andere populaire sporten, is het relatief veilig. De volgende statistische gegevens zijn overgenomen uit een rapport van het Department of Trade and Industry (UK) uit 1998:

 

  • Voetbal - 408000 blessures, waarvan 6000 door een botsing met de doelpaal.
  • Rugby - 78000 blessures.
  • Cricket - 22000 blessures.
  • Tennis - 6000 blessures.
  • Pool - 508 blessures door een botsing met de pooltafel.

 

In Groot-Brittannië zijn in de laatste vijf jaar van de twintigste eeuw gemiddeld 143 gevallen van decompressieziekte gerapporteerd.

 

Wanneer we dit afzetten tegen het aantal geschatte duiken is dit een zeer laag percentage. Echter opgemerkt dient  te worden, dat het aantal duiken niet wordt geregistreerd. Voor deze vergelijking zijn we uit gegaan van de situatie in Groot-Brittannië. Hier bevinden zich ruwweg 110.000 duikers, die gemiddeld 10 duiken per jaar maken. Dit komt neer op meer dan een miljoen blootstellingen aan decompressieziekte per jaar. Het percentage (risico) komt in dit voorbeeld uit op minder dan 0,015%  Dit is erg laag. Het is echter een schrale troost voor diegenen, die binnen de 0,015% zijn gevallen.

 

De statistieken laten ook zien, dat een aanzienlijk aantal van de decompressiegevallen binnen de geaccepteerde limieten vallen van de decompressietabellen. Deze geven over het algemeen minder bodemtijd dan de decompressie-duikcomputers. Wij zijn er van overtuigd dat het Suunto Reduced Gradient Bubble Model zal bijdragen aan een verdere verlaging van DCI-gevallen zonder daarbij voor de meeste duiksituaties conservatievere bodemtijden te gebruiken.

 

Gemodificeerde Haldanian Decompressie Modellen

De grondbeginselen van de moderne duiktabellen en duikcomputers zijn gebaseerd op het pionierswerk van de Britse fysioloog professor John Scott Haldane (1908) Deze decompressiemodellen (algoritmen) worden daarom ook vaak Haldanian genoemd, omdat ze op de een of andere manier gebruik maken van de basisprincipes van Haldane.

Haldane kreeg van de Britse Marine de opdracht om een systeem te ontwikkelen ter ondersteuning van duikers in een standaardpak. De opdracht van de Sea Lords van de Navy luidde "het produceren van een decompressiesysteem waarmee een gemiddelde man met aanleg zinvol werk kan uitvoeren op een diepte van 55 meter".

 

In 1908 werd Haldane's onderzoek "the Prevention of Compressed Air Illness" gepubliceerd. Hierin stonden een aantal bevindingen die heden ten dagen, misschien in een wat aangepaste vorm, nog steeds actueel zijn. Deze bevindingen zijn:

 

■                     Het opnemen en afgeven van stikstof door de weefsels gebeurd exponentieel.

■                     De snelheid van stikstofverzadiging varieert van weefsel tot weefsel.

■    Decompressieziekte (DCI) zal niet optreden wanneer de stikstofdruk in een weefselgroep in het lichaam van een duiker niet groter wordt dan twee maal de omgevingsdruk.
De 2:1 factor.

■    Decompressie moet in werking worden gesteld bij een relatief grote drukvermindering van de omgevingsdruk (18 meter/minuut)

 

Sinds de tijd van Haldane zijn er diverse onderzoekers geweest, die de decompressietheorie verder hebben ontwikkeld. Een paar belangrijke mijlpalen waren:

 

■    1935 J.A. Hawkins komt tot de conclusie dat de 2:1 ratio niet geschikt is voor iedere weefselgroep. Weefselgroepen hebben verschillende ratio's.

■    1937 Gebaseerd op het werk van O.D. Yarborough brengt de US Navy nieuwe herziene tabellen uit met kleinere, persoonlijke ratio's die t.o.v. Hawkins zijn gebaseerd op de arbeid die een duiker levert op diepte.

■    1956 Des Granges en J.V. Dwyer introduceren hun idee over diepte-afhankelijke ratio's.

■    1956 De US Navy publiceren luchtdecompressietabellen. Hierop wordt voor het eerst gebruik gemaakt van herhalingsgroepen, die zijn ontwikkeld om de hoeveelheid rest-stikstof te bepalen dat na een oppervlakte-interval overblijft. Dit voor het maken van een herhalingsduik. Aan de hand van het 120 minuten compartiment werd dit bepaald.

■    1965 Robert Workman introduceert het idee van M-waardes (maximale waarde) als de toegestane oververzadiging in de vorm van een drukverschil vaak gemeten in meters zeewater. Dit vereenvoudigde het rekenwerk voor het maken van schema's t.o.v. het rekenen met ratio's.

■    1968 Merrill Spencer & SD Campbell maken gebruik van Dopplertechniek om gasbellen te detecteren in een schaap tijdens decompressie. Vele andere wetenschappers gaan gebruik maken van deze manier van onderzoek, waaronder D.N. Walder & A. Evans en Comex.

■    1968 D.N. Walder schrijft "Adaptation to decompression sickness in caisson work"

■    1977 DCIEM wetenschapper Karl Kisman en de Franse Marineonderzoeker Gerard Masurel introduceren in combinatie met Dopplersonderzoek een codesysteem voor de classificatie van K-M bellen

■    Tachtiger jaren D. Yount van de universiteit van Hawaii doet onderzoek naar het ontstaan van de evolutie en de regeneratie van cavitatiegaskernen. Het implementeren van een belvormingsmodel in een duiktabel maakt onderdeel uit van zijn onderzoek.

■    In het midden van de jaren 80 doen de duikcomputers hun intrede op de markt. In deze periode lanceert Suunto zijn SME, die met algoritmes werd gebaseerd op de vier punten van Haldane. In deze eerste duikcomputers werd alleen rekening gehouden met de opgeloste stikstof. Ze maakten in principe maar gebruik van twee parameters diepte en blootstellingstijd. Voor een gegeven diepte of een reeks dieptes gaven zij de maximaal toegestane blootstellingstijd.

 

De ontwikkeling van decompressie-algoritmes is een continue doorlopend proces. Ook nu nog worden er steeds nieuwe inzichten en methoden ontwikkeld.

 

Het Suunto basis-algoritme voor gasdiffusie

De duikcomputers van Suunto zijn een belangrijke stap van dat doorlopend proces. Ze hebben allemaal een gemodificeerd Haldanian decompressiemodel. Met als uitzondering een sterk verouderd type wat de US Navy tabel volgde. Ze berekenen de decompressieverplichtingen van de duiker met hun eigen algoritme gebaseerd op een gemodificeerd Haldanian decompressiemodel. Dit algoritme gaat uit van een hoeveelheid bloed die door het lichaam stroomt (perfusie) Het te veel aan stikstof diffundeert via de longen in deze bloedstroom, die het naar de weefsels transporteert tijdens het duiken en weer naar de longen transporteert tijdens de decompressie en oppervlakte-interval. Dit diffusie-algoritme blijft onderdeel van SRGBM.

 

 

 

Half-waarde tijden van weefselcompartimenten

SRGBM gaat er ook van uit, dat het lichaam is opgedeeld in een aantal theoretische weefselcompartimenten. Elk met een eigen opname- en afgiftesnelheid van het teveel aan stikstof. Het is echter onmogelijk en onnodig om rekening te houden met elk type weefsel. Het is van groot belang om een voldoende groot spectrum van weefselgroepen te hebben om in alle duiksituaties te voorzien. SRGBM maakt gebruik van negen theoretische weefselcompartimenten met een opname half-waarde tijd variërend van 2,5 tot 480 minuten. Haldane gebruikte maar vijf weefselcompartimenten met een opname en afgifte half-waarde tijd variërend van 5 tot 75 minuten.

 

Traditioneel gaan zowel duiktabellen als duikcomputers er van uit dat zowel de opname als afgifte van stikstof exponentieel verlopen. Dit betekent dat de opname en afgifte van het teveel aan stikstof snel begint en met de tijd in zijn snelheid zal afnemen.

 

SRGBM gaat er van uit, dat alleen het opnemen van stikstof exponentieel verloopt. Omdat de invloed van micro-bellen de stikstofafgifte neigt tegen te werken tijdens de oppervlakte-interval verloopt deze afgifte volgens een asymmetrische curve zoals bepaald door Dr Merrill Spencer. Dit beschermt de duiker beter tegen decompressieziekte (DCI) en is de eerste in een aantal maatregelen die SRGBM gebruikt tegen micro-bellen.

 

Oververzadiging van weefselcompartimenten (M-waardes)

Aan de oppervlakte, na elke duik, zit er in de weefsels in het lichaam van een duiker te veel stikstof. Deze situatie noemen we oververzadiging.

 

Het toegestane niveau van deze stikstofoververzadiging noemen we M-waardes (maximale waarde) en wordt bepaald in het Suunto algoritme. In dit algoritme zijn de resultaten verwerkt van het Doppler ultrasoon micro-bellen onderzoek van Dr Merrill Spencer. Elk theoretisch weefselcompartiment heeft een eigen M-waarde.

 

M-waardes worden gebruikt voor het bepalen van de decompressiestops, terwijl de M0-waardes de tijdsduur bepalen voor een niet-decompressie-duik alsmede wanneer er naar de oppervlakte kan worden opgestegen na het afwerken van de decompressiestops.

 

Dit deel van het algoritme beschrijft tot nu toe alleen nog maar het deel over de opgeloste stikstof in het lichaam van een duiker tijdens en na het duiken. Het is echter van groot belang om ook rekening te houden met elke soort van vrij gas (micro-bellen), die tijdens de opstijging kan ontstaan. Duikers worden beter beschermd tegen DCS door het aantal en de grootte van deze micro-bellen te beperken. 

 

Vrij-gas: een introductie

In eerste instantie werd verondersteld dat het vrije gas in het lichaam van een duiker de oorzaak was van DCI. Het is nu echter bewezen dat na een duik bij de meeste duikers micro-bellen worden aangetroffen. In het algemeen zijn deze micro-bellen zeer klein en wanneer ze een bepaald kritisch volume niet overschrijden, lijken ze de duiker geen kwaad te doen. Ze hebben echter de neiging om naar de longen te trekken, die als een zeer effectief filter fungeren en voorkomen dat de micro-bellen het slagaderlijk systeem in trekken. Door dit effect wordt het longoppervlak voor een bepaalde tijd verkleind wat de gasuitwisseling belemmert. Bovendien kunnen herhalingsduiken de micro-bellen doen groeien en zo DCI veroorzaken. Het resultaat van een duik is ingewikkelder dan alleen maar rekening houden met diepte en bodemtijd! Het betrekt niet alleen de stijgsnelheid maar ook het aantal opstijgingen, het aantal blootstellingen per dag, oppervlakte-intervallen en natuurlijk het aantal dagen van blootstelling (multi-dag) Hier aan nog toegevoegd, de persoonlijke factoren die de duik beïnvloeden.

 

 

Suunto Reduced Gradient Bubble Model (SRGBM)

Deze bellen hebben over de jaren heen verschillende namen gekregen. In dit document praten we over het controleren van de microbellen (soms ook wel stillenbellen asymptotische-bellen of vrij gas genoemd)

 

Met de toestandsdynamica of beltheorie ( d.w.z. het ontstaan, het groeien en het uiteenvallen van bellen) wordt geen rekening gehouden in het Haldanian decompressie systeem. Om de productie en groei van vrij gas te beperken, berekent SRGBM een aantal correctiefactoren die de M-waardes en M0-waardes beïnvloeden.

 

Het vrije gas (bellen) kan het afgeven van stikstof bemoeilijken wat de kans op DCI groter maakt voor een duiker. Fundamenteel bestaan er drie typen van bellen.

 

Om het gezamenlijke volume van het vrije gas binnen een gegeven limiet te houden, tracht SRGBM het aantal micro-gaskernen te voorspellen en houdt de groeisnelheid van de micro-bellen onder controle. SRGBM werkt op twee niveaus samen met het diffusie-algoritme.

 

  • § Niveau 1: opstijgsnelheid

In water houden online aanpassingen tijdens de decompressie de bellen klein. Hierdoor blijft de oppervlakte-spanning van de bel groot, wat mogelijk het ineenklappen van de bel bevordert. Grote of snelle drukverminderingen (opstijging) veroorzaken belvorming en expansie van de bellen. Dit leidt tot decompressiespanning wat weer kan bijdragen tot DCI. Wanneer een duiker tijdens een duik de voorgeschreven stijgsnelheid overschrijdt, zal het SRGBM algoritme een verplichte veiligheidsstop berekenen en voorschrijven. Het doel hiervan is om het aantal bellen en de grootte van de bellen, die zijn ontstaan voor het bereiken van de oppervlakte, te helpen reduceren. De tijdsduur van de stop is afhankelijk van de ernst van de overschrijding. Negeert een duiker deze verplichte stop of maakt hij deze niet af, dan zal er een correctie volgen van de oppervlakte decompressiegegevens (dive plan)  

 

  • § Niveau 2: decompressie aanpassingen aan de oppervlakte.

Tijdens de oppervlakte-interval berekent het SRGBM algoritme niet alleen de hoeveelheid opgeloste reststikstof, maar maakt het ook gebruik van de gegevens omtrent het vrije gas van voorgaande duiken, zodanig om hiermee toekomstige decompressieverplichtingen te modificeren.

 

Wanneer er tijdens de oppervlakte-interval, zowel opgelost als vrij gas in het lichaam van een duiker wordt afgegeven, praten we over een nul meter decompressiestop. Er wordt dan rekening gehouden met de invloed van het vrije gas op de snelheid van het afgeven van het opgeloste gas. 

 

Tijdens de oppervlakte-interval kijkt het SRGBM naar drie factoren uit de voorgaande duikprofielen, die vrij gas in het lichaam van een duiker kunnen veroorzaken. Aanpassingen voor deze drie factoren  worden gecombineerd tot een algemene correctiefactor. Als verdediging tegen de mogelijkheid van DCI zal deze correctiefactor de nultijden voor een bepaalde tijd verkorten. Daar waar SRGBM buitensporig veel micro-bellen berekend, zal het een verlenging geven op de oppervlakte-intervaltijd.

 

  • § Herhalingsduiken - F1
  • § Dieptereeksen - F2
  • § Multi-dagduiken - F3

 

Herhalingsduiken - F1

Micro-bellen komen voornamelijk voor in de aderlijke bloedstroom tijdens de oppervakte-interval tussen twee duiken. Ze stromen met het bloed mee naar de longen waar ze worden tegengehouden. Hier aangekomen verkleinen ze het longoppervlak en belemmeren zo de gasafgifte. Dit proces gaat net zolang door tot dat de productie van micro-bellen is gestopt en de bellen in de longen volledig zijn verdwenen. Dit proces zal ongeveer 3 uur duren na het bereiken van de oppervlakte. Om met dit verschijnsel rekening te houden zal het SRGBM algoritme een correctiefactor berekenen

 

Dieptereeks - F2

Wanneer er binnen een serie duiken dieper wordt gedoken dan de voorgaande duik gaat SRGBM er vanuit dat de microgaskernen aangezet worden tot groei. Tijdens de oppervlakte-interval na de diepere duik zal SRGBM toekomstige decompressieverplichtingen herberekenen aan de hand van verschil in diepte tussen deze en de voorgaande duik.

 

Multi-dagduiken - F3

Duiken (compressie en decompressie) zorgt er voor dat het energieniveau in de reeds aanwezige micro-gaskernen zal toenemen. Verondersteld wordt dat het enkele dagen duurt voordat ze weer zijn teruggekeerd naar hun originele energieniveau. Het SRGBM berekent multidagfactoren voor het aanpassen van de oppervlakte-interval over 100 uur.

 

Deze combinatie van correctiefactoren wordt toegevoegd aan de M-waardes en M0-waardes van het SRGBM waardoor de oververzadigingsgradient wordt beperkt en de benodigde decompressieverplichtingen aangescherpt.

 

Het variabele decompressieplafond 

Het variabele decompressieplafond maakt het mogelijk om continue te decomprimeren. Sinds Haldane hebben duikers altijd gebruik gemaakt van vaste decompressiestops op bijvoorbeeld 15 meter, 12 meter, 9 meter, 6 meter, 3 meter. Deze praktijkmethode werd ingevoerd lang voordat er duikcomputers waren. Suunto maakt gebruik van een microprocessor om met korte intervallen de plafonddiepte te berekenen en weer te geven. Dit in plaats van een reeks vooraf bepaalde vaste stopdieptes. Dit stelt de duiker in staat om met een aantal mini-stappen op een meer geleidelijke manier te decomprimeren wat dichter bij het afgiftepatroon van het computerprogramma ligt. Op de plafonddiepte laat de duikcomputer twee pijltjes zien; de één wijst naar boven de ander naar beneden (ook wel zandlopersymbool genoemd) Dit is het punt waar de decompressie optimaal is.

 

De beweegbare decompressiebodem.

Het maken van betere beslissingen is sterk afhankelijk van de voor handen zijnde informatie. Het is bekend dat bij elke opstijging het drukverschil toeneemt tussen de omgeving en de weefselcompartimenten. En dat naarmate dit drukverschil oploopt ook het risico op DCI zal toenemen. Tijdens deze fase van de duik bezit het algoritme van een duikcomputer alle informatie, die nodig is om dit drukverschil in de hand te houden. Tijdens elke opstijging, waarbij decompressie nodig is, zal de Suunto duikcomputer een punt berekenen waarop het eerste komende weefselcompartiment ten opzichte van de omgevingsdruk begint met uitgassen. Het gebied tussen deze diepte en de plafonddiepte heet de decompressiezone. De grootte van deze decompressiezone is afhankelijk van het duikprofiel. Het uitgassen van het eerst komende weefselcompartiment zal op of dichtbij deze decompressiebodem traag verlopen omdat het drukverschil hier klein is. De trage weefselcompartimenten zullen op deze diepte nog steeds stikstof opnemen en als dit maar lang genoeg duurt zal de decompressieverplichting verder toenemen. Het decompressieplafond kan dan verder naar beneden komen en de decompressiebodem kan naar boven komen. Het verblijven van een paar minuten op deze decompressiebodem alvorens verder te stijgen naar het decompressieplafond zal helpen bij het beperken van bel-groei. Om een optimale decompressie te krijgen, moet de duiker het decompressieplafond volgen wanneer hij opstijgt. Mocht de duiker echter besluiten om, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, zijn decompressiestop dieper dan voorgeschreven te maken, dan zal de stoptijd worden verlengd. 

Geadviseerde veiligheidsstop countdown.

Na elke duik dieper dan 10 meter, inclusief duiken met decompressieverplichtingen en voorgeschreven veiligheidsstop, voegt SRGBM een veiligheidsstop toe die tussen de 6 en 3 meter moet worden gemaakt. Het tijdsverloop van deze geadviseerde veiligheidsstop wordt in countdown weergegeven. Er volgen geen verdere aanpassingen mocht deze veiligheidsstop maar voor een deel of helemaal niet worden gemaakt. 

 

10 meter/minuut opstijgen

De opstijging is het moeilijkste deel van een duik om de controle over te houden, en is hierdoor het meest risico volle deel van een duik. De stijgsnelheid wordt grafisch in de vorm van een staafdiagram weergegeven. Wanneer de stijgsnelheid wordt overschreden, is het staafdiagram volledig gevuld en verschijnt de waarschuwing "SLOW" met (indien ingesteld) een geluidssignaal. Dit systeem geeft de duiker duidelijke informatie en een onmiskenbare waarschuwing over zijn stijgsnelheid. Maar waarom een stijgsnelheid van 10 meter/minuut? Het komt er hoofdzakelijk op neer om tijdens de opstijging de expansie van stikstof in de hand te houden. De ontstane kooldioxide uit de verbranding van zuurstof (stofwisseling) zal in de aderlijke bloedstroom en weefsels minder gasspanning geven (gasdruk in oplossing) dan de zuurstof heeft gedaan in de slagaderlijke bloedstroom. Door dit feit is de gasspanning  in de weefsels en de aderlijke bloedstroom van het lichaam lager dan in de longen en de slagaderlijke bloedstroom. Gelukkig voor duikers laat dit verschijnsel een gat waarin tijdens de opstijging de stikstof kan expanderen zonder de omgevingsdruk te overschrijden. Vandaar Suunto's maximale stijgsnelheid van 10 meter/minuut. Dit gat wordt ook wel het "zuurstofraam" genoemd. Dit alles heeft als voorwaarde dat de stijgsnelheid onder controle blijft.

 

Persoonlijke instellingsfactoren.

 

Inspanning en koud water

Het bloed transporteert de benodigde zuurstof van de longen naar de weefsels in het lichaam. Helaas transporteert het ook de stikstof. Op de terugweg naar de longen verwijdert het bloed de geproduceerde kooldioxide en andere ongewenste afvalproducten en niet te vergeten: het teveel aan stikstof.

 

Tijdens de ontwikkeling van duikcomputers is van dit verschijnsel gebruikgemaakt. In het algoritme is de ontwerper van een bepaalde bloedstroom (perfusie) uitgegaan. Er zijn echter nog vele variabelen, waarmee men op dit moment nog geen rekening kan houden.

 

Tijdens inspanning hebben de spieren meer zuurstof nodig dan in rust. Om deze extra zuurstof naar de spieren te transporteren zullen de bloedvaten verwijden en kunnen ze wel tot zeven keer meer bloed transporteren dan in rust. Met dit bloed wordt ook extra stikstof aangevoerd en dit kan tot gevolg hebben dat er extra decompressie nodig is.

 

Afkoeling van het lichaam heeft het tegenovergestelde effect. Wanneer het lichaam afkoelt, zullen bloedvaten samenknijpen als maatregel om de kerntemperatuur van het lichaam te handhaven. Deze vermindering van de bloedstroom kan er voor zorgen dat het uitgassen van stikstof wordt verminderd. Extra decompressie is dan nodig op de opgeslagen stikstof uit te gassen. 

 

Van oudsher hebben de ontwerpers van duiktabellen regels aan hun tabellen toegevoegd, die rekening houden met inspanning en duiken in koud water. Een algemene regel was, dat een duiker  zijn decompressieverplichtingen plande op de eerstvolgende grotere diepte dan waar hij werkelijk  dook. Suunto duikcomputers hebben drie persoonlijke instellingen waaronder de default instelling.

 

 

 

Andere oorzaken.

Zoals hierboven beschreven blijkt dat het belangrijk is de bloedstroom (perfusie) binnen de limiet van het algoritme te houden om op de juiste manier te decomprimeren met SRGBM. Tot op zekere hoogte zal SRGBM een bijdrage leveren aan duikers om hun decompressie op een juiste manier te helpen plannen. Er zijn echter diverse factoren, die hier niet vernoemd zijn, die kunnen bijdragen aan DCI. Dit kunnen o.a. persoonlijke omstandigheden zijn, die alleen de duiker zelf kan vaststellen of beïnvloeden. Een duiker dient ook met deze factoren rekening te houden in zijn duikplanning.

 

Op dit moment, kan geen enkele duikcomputer  vaststellen dat je:

  • § Gaat zonnen of een warme douche of bad neemt
  • § Medicatie neemt
  • § Gestrest bent
  • § Dronken bent
  • § Vermoeid bent
  • § Zwaarlijvig bent
  • § Verkouden bent
  • § Inspanning leverde voor of na de duik
  • § Of, in het verleden al eens DCI heeft gehad

 

 

Bibliography

Boycott A.E., Damant G.C.C., and Haldane J.S., 1908. "The prevention of compressed air illness". Journal of Hygiene. 8, 342-443.

Des Granges M., 1957, Repetitive diving decompression tables, US Navy Experimental diving Unit Report, NEDU 6-57, Washington, DC.

Walder D N, 1968 "Adaptation to decompression sickness in caisson work "Int. J.  Biometeor. 11, 350-359.

Evans A and Walder D N, 1969, Significance of Gas Macron-nuclei in Aetiology of Decompression Sickness, Nature London 222,251-252

Pilmanis A A, 1976, " Intravenous Gas Emboli in Man After Compressed Air Ocean Diving". USN Office Naval Research, Final Technical Report, Contact #00014-67-A-0269-0026, Nay 1, 1972 to June 30 1972.

Spencer M. P., 1976 "Decompression Limits For Compressed Air Determined by Ultrasonically Detected Blood Bubbles", J. Appl. Physiology 40, 229-235.

Yount D. E., 1982, "On The Evolution, Generation and Regeneration of Gas Cavitation Nuclei", J, Acoust, Soc Am, 1471-1481.

Yount D. E. and Hoffman D. C., 1986 "On the Use of a Bubble Formation Model to Calculate Diving tables". Aviat. Space Environ. Med. 57, 149-156.

Wienke B. R. 1990, "Modelling Dissolved and Free Phase Gas Dynamics under Decompression". Inst. J. Biomedical Comp. 25, 193-205.

Wienke B. R. 1990, "Reduced Gradient Bubble Model" Inst. J. Biomedical Comp. 26, 232-256.

Cole Bob 1993, Decompression and Computer Assisted Diving ISBN 0 9520934 0 5.

Cole Bob 1999 7th edition, The SAA Bühlmann System ISBN 0 9519337 0 1.

 

Vertaling Eaten Fish© dive publications